Samenvatting

Cultuur beweegt. Het maken, verspreiden en beleven van cultuur is voortdurend aan verandering onderhevig. Dat laat zich niet meer vangen in vakjes of genres. Oude scheidslijnen vervagen; mainstream en subcultuur, hoge of lage cultuur – zij beïnvloeden elkaar en vloeien in elkaar over. Makers en kunstenaars tonen hun werk steeds vaker buiten traditionele podia en presentatieplekken: in de wijken, scholen, buurthuizen en leegstaande (fabrieks)panden of via digitale (super)platforms. Publiekspatronen veranderen ook. Bezoekers laten zich minder binden en leiden door het gezag van kenners en instituties. Zij zoeken hun weg via gemeenschappen van gelijkgestemden op internet of de sociale media. De trend van onderdompeling en beleving, die bijvoorbeeld te zien is aan de populariteit van festivals, zet nog steeds door. En de samenstelling van het publiek kan flink verschillen, afhankelijk van stad of regio is het jonger of ouder, kleurrijk of juist homogeen van karakter.

Het zijn ontwikkelingen die het cultuurbeleid voor uitdagingen stelt. Hoe zorgen we dat nieuwe genres en stijlen ruimte krijgen in ons cultuurbestel? Welke verdienmodellen werken nog als de distributie van cultuur steeds meer via digitale kanalen verloopt? Hoe bereiken we een breed en divers publiek? Wat moeten we doen om onze kinderen toe te rusten met creatieve vaardigheden en mediawijsheid? Hoe koesteren we topkwaliteit, maar geven we ook ruimte aan nieuwe talenten, experiment en ontwikkeling?

Het Rijkscultuurbestel bestaat in zijn huidige vorm bijna 25 jaar. Door de oogharen heen bezien, heeft dit cultuurbeleid er in vele opzichten voor gezorgd dat Nederland een land is met een levendige kunstpraktijk. Maar nu het stof is neergedaald van weer een volgende beoordelingsronde voor de basisinfrastructuur en de meerjarige subsidies bij de fondsen, moeten we constateren dat het cultuurbestel steeds minder doet waarvoor het bedoeld is: randvoorwaarden creëren voor een bloeiend cultureel leven. De BIS en de Rijksfondsen zijn door opeenvolgende ingrepen uitgekleed, gejuridiseerd en geamendeerd. Maar belangrijker nog dan dat, trends en ontwikkelingen in en rond het culturele leven stellen nieuwe eisen aan het cultuurbestel. Het is in meerdere opzichten niet meer bij de tijd.

Adviesprogramma

De raad heeft in samenspraak met de minister een adviesprogramma opgezet dat de discussie over de toekomst van het cultuurbestel van analyses en voorstellen voorziet. Dit programma bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is een benadering vanuit de cultuurpraktijk zelf. Wat gebeurt er in uiteenlopende sectoren in het cultuurveld, hoe ontwikkelen genres zich, hoe wordt publiek bereikt, voor welke voorzieningen zijn publieke investeringen nodig en voor welke juist niet? De raad adviseert tussen november 2017 en april 2018 over de audiovisuele sector, beeldende kunst, dans, muziek, theater, muziektheater, letteren, ontwerpdisciplines, monumenten en archeologie, en musea.

Het tweede onderdeel is opgenomen in deze verkenning en gaat over nieuwe verhoudingen tussen het Rijk en stedelijke cultuurregio’s. Welke mogelijkheden zijn er om tot een betere samenwerking te komen tussen de verschillende overheden onderling en tussen overheden en de cultuursector?

Stedelijke cultuurregio’s kunnen volgens de raad een sleutelrol in ons cultuurbestel vervullen. Daar zijn in essentie twee redenen voor. In de eerste plaats vormt zo’n regio een cultureel ecosysteem waarin makers, culturele instellingen en overheden in nauwe samenwerking met elkaar kunnen inspelen op de samenstelling en behoefte van de bevolking, op de identiteit en verhalen uit de regio, op de daar aanwezige infrastructuur en onderscheidende kenmerken. En dat is niet alleen vanuit artistiek oogpunt van belang. Culturele voorzieningen zijn ook bepalend voor de identiteit en eigenheid van gemeenten en provincies; zij dragen bij aan de leefbaarheid van en saamhorigheid in wijken en kleinere gemeenten, en aan het vestigingsklimaat voor bedrijven. Iedere stedelijke cultuurregio kan zich bovendien onderscheiden met zijn eigen culturele aanbod. Het maakt een streek tot een geliefde bestemming voor toeristen, tot een broedplaats van creatief talent of tot een schatkamer voor liefhebbers van geschiedenis. Binnen de stedelijke cultuurregio ziet de raad veel mogelijkheden tot samenwerking en afstemming; tussen verschillende culturele instellingen, maar ook tussen culturele instellingen en andere maatschappelijke sectoren.

De tweede reden waarom de raad voor het perspectief van de stedelijke cultuurregio pleit, ligt besloten in de oplossing die dit kan bieden voor een aantal hardnekkige knelpunten in het huidige beleid. Het cultuurbeleid is sterk nationaal georiënteerd en is vooral gericht op individuele instellingen en niet op de samenhang van culturele voorzieningen. Beleid en geldstromen versterken elkaar in de praktijk nog onvoldoende. De huidige convenanten hebben dit probleem niet kunnen oplossen. Maar als regionale keuzes belangrijke overwegingen worden in het landelijke beleid, dan kan er lokaal een discussie op gang komen over de betekenis en invulling van het culturele aanbod die er echt toe doet.

Verantwoordelijkheden

De aanbevelingen in deze verkenning richten zich op de vraag hoe het Rijk, gemeenten, provincies en fondsen gezamenlijk goede randvoorwaarden kunnen creëren voor de culturele sector. Het vraagstuk rond de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheden begint wat de raad betreft met heldere beleidsdoelen. Zulke doelen geven houvast als het gaat om de vraag waarop cultuurbeleid zich moet richten en wie waarvoor verantwoordelijk is. Zeker op terreinen waarbij veel partijen betrokken en van elkaar afhankelijk zijn. In de cultuursector, zo bleek ons in vele gesprekken, bestaat over het antwoord op deze vraag niet zonder meer overeenstemming. Weliswaar worden in de Wet op het specifiek cultuurbeleid doelstellingen aangegeven, maar de formulering is abstract en geeft weinig richting. De raad adviseert de minister dan ook om heldere doelstellingen voor cultuurbeleid te formuleren en deze bij voorkeur wettelijk vast te leggen. In deze verkenning doen wij daarvoor een eerste worp. Wij bevelen aan dat de overheid zich ten doel stelt:

  • Dat creatieve en kunstzinnige talenten kansen en mogelijkheden krijgen om zich artistiek te ontplooien.
  • Dat iedereen, ongeacht leeftijd, culturele achtergrond, inkomen en woonplaats, toegang heeft tot cultuur.
  • Dat er een pluriform aanbod van cultuur is gegarandeerd, waarin het bestaande wordt gekoesterd en het nieuwe wordt omarmd.
  • Dat er een veilige haven is voor cultuur om te kunnen reflecteren op de samenleving – ook als dat in kritische zin gebeurt.

Wanneer overheden elkaar nodig hebben om doelstellingen te halen, is er sprake van gedeelde verantwoordelijkheden. Die vindt de raad op dit moment te weinig terug in de praktijk van het cultuurbeleid. Op basis van de Wet op het specifiek cultuurbeleid zijn beleid en financiering van cultuur vormgegeven in twee componenten: rechtstreeks door het Rijk gefinancierde instellingen (de culturele basisinfrastructuur, BIS) en de fondsen. De BIS vertegenwoordigt functies op nationaal niveau: instellingen die deze functies goed vervullen, kunnen rekenen op rechtstreekse financiering door het Rijk. De zes Rijkscultuurfondsen richten zich op dynamiek en innovatie in verschillende disciplines. Deze fondsen stimuleren productie, presentatie en distributie van cultuuruitingen in de vorm van financiering van programma’s, projecten, stipendia en beurzen.

Regionale culturele infrastructuur

Hoewel het onderscheid tussen de functie van BIS en fondsen in de praktijk niet zo eenvoudig meer te maken is, spreekt het oorspronkelijke idee van deze twee componenten wat de raad betreft nog steeds tot de verbeelding. Deze financieringsinstrumenten doen recht aan de (inter)nationale betekenis en rol van een groot aantal culturele voorzieningen. Het Rijk neemt daarvoor de directe verantwoordelijkheid op zich. Echter, om regionale en lokale overwegingen een grotere rol te laten spelen adviseren wij om, naast BIS en de fondsen, een derde component te onderscheiden in het cultuurbeleid: de regionale culturele infrastructuur (RIS). Deze infrastructuur bestaat uit het geheel aan culturele voorzieningen dat nodig is voor een bloeiend cultureel ecosysteem in een stedelijke cultuurregio. Decentrale overheden en maatschappelijke, culturele en private partners zijn samen verantwoordelijk voor het samenstellen en financieren van deze voorzieningen. De raad stelt voor dat het Rijk medefinanciering (of ‘matching’) verleent aan stedelijke cultuurregio’s als zij bijgedragen aan de landelijk overeengekomen doelstellingen van cultuurbeleid.

Met de opname van de RIS in het landelijke cultuurbestel willen wij bewerkstelligen dat er meer erkenning en financiering is voor het culturele aanbod in de regio. Erkenning voor de kwaliteit en betekenis van dat aanbod; medefinanciering om de ambities van makers en overheden in stedelijke cultuurregio’s te honoreren.

Om de RIS een plek te geven in het bestel zijn er veranderingen nodig in de architectuur en systematiek van het cultuurbeleid. In deze verkenning doen wij voorstellen voor de beschrijving van de functie van de BIS, de fondsen en de RIS. Ook gaan wij in op de wijze en volgorde waarin besluiten over de financiering van cultuur genomen worden. De belangrijkste aanbevelingen die wij daaraan verbinden zijn:

Aan de minister van OCW
Maak in de Wet op het specifiek cultuurbeleid onderscheid tussen drie onderling aanvullende en met elkaar samenhangende instrumenten: (1) culturele basisinfrastructuur (BIS), (2) fondsen en (3) regionale culturele infrastructuur (RIS). In deze verkenning is een voorstel voor de beschrijving daarvan opgenomen.

Aan de minister van OCW
Nodig stedelijke cultuurregio’s uit om met een overtuigend en inspirerend plan te komen voor hun lokale culturele ecosysteem. Een plan waarmee een regio op zijn eigen manier invulling geeft aan de doelstellingen van het cultuurbeleid met een beleidshorizon van zes jaar. Stel op korte termijn stimuleringsgelden beschikbaar om de samenwerking binnen stedelijke cultuurregio’s te bevorderen.

Aan gemeenten en provincies
Ga door met de ontwikkeling van cultuurplannen voor regionale culturele ecosystemen. Zoek samenwerking met omliggende gemeenten en provincies. Betrek culturele instellingen, makers, maatschappelijke partners en bedrijven bij de invulling van deze plannen.

Aan de minister van OCW, gemeenten en provincies, fondsen
Ga beleidsinhoudelijk in gesprek over de plannen van stedelijke cultuurregio’s. Onderzoek de mogelijkheden om bindende afspraken te maken over:

  • Matching/medefinanciering door decentrale overheden van BIS-instellingen en fondsgesubsidieerde instellingen
  • (Programmatische) bijdragen of medefinanciering van het Rijk aan regionale plannen (RIS) met daaraan verbonden resultaatafspraken.

Aan fondsen
Bij de cultuurfondsen zijn verschillende regelingen, waarin de positie van een aanvrager in de lokale of regionale infrastructuur wordt meegewogen – bijvoorbeeld in de vorm van matching. De raad moedigt deze vormen van financiering aan en nodigt de fondsen uit om de toepassing daarvan verder te onderzoeken.

Aan alle beoordelende instanties (inclusief de raad zelf)
Voer de beoordeling van meerjarige subsidieaanvragen integraal uit (in één periode). Werk samen om dubbele beoordelingenlasten en aanvraagprocedures te vermijden.

Aan de minister van OCW, gemeenten, provincies
Onderzoek de mogelijkheid om de beleidscyclus te verlengen van vier naar zes jaar. Een langere planperiode brengt meer rust in de gehele cyclus, verlaagt de plan- en verantwoordingslasten en geeft de mogelijkheid om beleid en besluiten over subsidies te baseren op voldoende meerjarige informatie en kengetallen.

De veranderingen die we hier bepleiten, presenteren we in dit stadium niet als sluitstuk maar als denkstuk. Aan de minister en de decentrale overheden, aan de sector zelf en aan de fondsen. Wij roepen hen op om met elkaar en met ons in gesprek te blijven over het culturele hart, dat klopt in de wijken, streken en steden van ons land.